De blauwe jongen die groen was

thumb

Omstreeks 1770 schilderde Thomas Gainsborough in Londen wellicht zijn meest bekende werk, The Blue Boy. Het is vermoedelijk een portret van Jonathan Buttall, geboren in 1752 en zoon van een succesvolle Londense metaalhandelaar. Gainsborough liet zich inspireren door de Vlaamse schilder Anthony van Dyck (1599-1641). De kleding die Buttall draagt is een typisch zeventiende-eeuws kostuum, waarin Van Dyck dikwijls personen afbeeldde. Het portret bleef in Buttals bezit, totdat hij zichzelf failliet in 1796 verklaarde en het schilderij verkocht. Via enkele omzwervingen kwam het stuk omstreeks 1809 in het bezit van de graaf Grosvenor. Hierna kwam het door middel van vererving in de collectie van de hertog van Westminster.

Toen de Amerikaanse spoorwegmagnaat H.E. Huntington samen met zijn vrouw Arabella in 1921 aan boord was van het schip Aquitania, moet zijn hart een sprongetje gemaakt hebben. In zijn hut hing namelijk een facsimile van The Blue Boy van Gainsborough. Hij vroeg kunsthandelaar Joseph Duveen meteen naar de prijs van het origineel. Huntington was op slag verliefd, maar Duveen moest hem teleurstellen dat het werk tegen geen enkele prijs te koop was.

Duveen wist echter dat de hertog van Westminster maar al te graag zijn collectie wilde verkopen. Hij bezocht de hertog en kocht The Blue Boy en nog twee andere schilderijen voor 800.000 Amerikaanse dollar. De Huntingtons waren blij verrast dat Duveen het stuk voor hen had weten te bemachtigen en kochten het voor ongeveer 728.000 dollar; een bedrag dat net iets lager was dan datgene wat Duveen betaalde voor de drie werken samen. Waar de Huntingtons pas achter kwamen toen Duveen hen hun nieuwe aanwinst toonde, was het feit dat de jongen geen blauw kostuum droeg, maar een groen.

Gainsborough, The Blue Boy, ca 1770
Gainsborough, zelfportret, 1758-1759


Dat The Blue Boy niet langer blauw was, kwam uiteraard door de vele geelgekleurde lagen vernis die op het werk waren aangebracht. Duveen besloot het schilderij te laten restaureren naar de staat waarin het verkeerde toen het het atelier van de kunstenaar verliet. Hier kwam in eerste instantie veel kritiek op vanuit de Britse pers: Duveen zou op onethische wijze oude meesters laten transformeren tot nieuwe meesters. De directeur van de National Gallery te Londen was echter van mening dat iedereen het kunstwerk na de restauratie eindelijk zou kunnen zien zoals de schilder het bedoeld had. Er werd een grote tentoonstelling georganiseerd rondom het schilderij, waar in een maand tijd maar liefst 90.000 bezoekers op afkwamen.

Hoewel het voor vele protesten zorgde, verliet het meesterwerk toch de Engelse bodem. In Amerika werd het werk overweldigend onthaald. Musea stonden in de rij om het schilderij te mogen tonen, waaronder het Metropolitan Museum of Art te New York. Vanwege de gebrekkige beveiliging achtte Duveen dit museum echter ongeschikt voor het tentoonstellen van een dermate belangrijk werk. In plaats daarvan toonde hij het drie weken in zijn galerie aan Fifth Avenue. Vervolgens bracht hij het werk naar de Huntingtons in Californië, waar het vanaf 1928 tot de dag van vandaag voor iedereen te bewonderen is in The Huntington Art Gallery.
 

Huntington Gallery, met in het midden The Blue Boy

 

Deze blog werd geschreven door kunsthistorica Celine Ariaans.

Wilt u ook een keer een gastblog schrijven over een onderwerp gerelateerd aan de kunstgeschiedenis? Neem dan contact met ons op via info@klu.nl o.v.v. gastblog!