Met gepaste trots

thumb

Wie zich verdiept in de westerse kunstgeschiedenis stuit vroeg of laat op ‘scholen’. Scholen in de schilderkunst verwijzen vaak naar steden of streken die in een periode herkenbare kunst hebben voortgebracht. Denk maar aan de Italiaanse school of de school van Delft. De oorsprong van zo’n predicaat ligt wel voor de hand. In Haarlem bijvoorbeeld, werkten aan het begin van de Gouden Eeuw tientallen schilders van wie de schilderijen nog altijd in de grote musea hangen. Logisch dus dat we spreken van de Haarlemse school. Of niet?

Veel ‘Haarlemse’ schilders kwamen oorspronkelijk uit andere oorden. En er waren er ook die in Haarlem waren geboren, maar die pas succesvol werden nadat ze er waren weggegaan. Wat hield de Haarlemse school dan in? Een gemeenschappelijke stijl? Zeker waren er meester-schilders die hun leerlingen beïnvloedden en die ook andere navolgers hadden. Dat was heel gewoon in de schilderkunst. Maar naast verschillende genres waren er in Haarlem ook verschillende stijlen. Waarom spreken we dan toch van de Haarlemse school? Dat de stad gedurende drie eeuwen de werkplek was van belangrijke kunstenaars speelt natuurlijk een grote rol. Geertgen tot Sint Jans (1455/65 – 1485/95), Hendrick Goltzius (1558-1617) en Frans Hals (1582-1666) zijn daarvan maar drie voorbeelden. Het idee van een Haarlemse school is echter ook te danken aan succesvolle marketing, stadsmarketing om precies te zijn.

Begin zeventiende eeuw verschenen de eerste stadsbeschrijvingen in de Noordelijke Nederlanden. In die tijd groeiden de steden daar snel. Bovendien was er de opstand tegen de Spanjaarden en zorgden grote aantallen immigranten voor een toename van culturele en religieuze verschillen. Er was daarom behoefte aan stedelijke eenheid. Stadsbeschrijvingen droegen bij aan de vorming van een stadsidentiteit.  De onderdelen van stadsbeschrijvingen waren de stedelijke geschiedenis, de gebouwen en de verdiensten van de belangrijkste burgers van de stad. Kunstenaars hoorden daar inmiddels ook bij. Een droge opsomming van feiten volstond natuurlijk niet. Bij stadsmarketing werden, zoals dat nu nog steeds gebeurt, de sterke kanten van de stad sterk naar voren gebracht. Overdrijving was daarbij geen misdaad.

In 1628 schreef dominee Samuel Ampzing Haarlems eerste echte stadsbeschrijving. De schilderkunst maakte in die periode grote ontwikkelingen door en een deel daarvan vond ook plaats in Haarlem. In de landschapschilderkunst verschoof de nadruk van topografische correctheid naar realistische herkenbaarheid. Esaias van de Velde (1587-1630), die in die tijd in Haarlem werkte, leverde daaraan een belangrijke bijdrage. Ampzing had dus een punt om Van de Velde in zijn stadsbeschrijving op te nemen. Esaias van de Velde had echter een Antwerpse vader, was in Amsterdam geboren en door schilders uit de Zuidelijke Nederlanden opgeleid. Bovendien onderging hij invloed van Adam Elsheimer (1578-1610), een van oorsprong Duitse schilder die in Italië werkte en wiens werk door prenten was verspreid. Ampzing ging dus wel wat ver toen hij over de landschapschilderkunst schreef: “die konst is ook wel eerst alhier by ons bedacht, en op een vasten voet en goed fatzoen gebragt”.

En daar bleef het niet bij. Ampzing schaarde schilders die in Haarlem werkten net zo makkelijk onder de Haarlemse trots als schilders die permanent waren vertrokken. Hij maakte kunst een ‘key selling point’ van Haarlem. Hij schetste een stad waar kunst was geboren en vervolmaakt.

Het begrip ‘school van’ in de kunstgeschiedenis is waarschijnlijk wel vaker iets te veel eer voor een stad of een land. Dat is geen probleem, zolang we ons realiseren dat ontwikkelingen in de kunst van heinde maar ook van verre zijn gekomen.

Astrid Schenk, kunsthistorica

 

Verder lezen over kunst en kunstenaars in stadsbeschrijvingen
Maud Lankester-Markus, Stedentrots & stedenpracht:
kunstenaarsvermeldingen in stadsbeschrijvingen van Noord-Nederlandse steden 1600-1850 (werkversie van een online RKD-monograph).

Andere gebruikte bronnen
Samuel Ampzing, Vermaerde Schilders der Stadt Haerlem, Haarlem 1628
Bob Haak, The Golden Age. Dutch painters of the seventeenth century, Zwolle 20032 (1984)
Henk van Nierop, ‘Lof en beschrijving van Haarlem bij Samuel Ampzing’, in: Koos Levy-van Halm (et al.), De trots van Haarlem. Promotie van een stad in kunst en historie, Haarlem 1995
Eddy Verbaan, De woonplaats van de faam. Grondslagen van de stadsbeschrijving in de zeventiende-eeuwse republiek, Hilversum 2011

Regelmatig publiceren we een blog, geschreven door een docent, medewerker, cursist of kunsthistoricus uit het veld. Deze keer een artikel van Astrid Schenk, kunsthistorica.