Een wonderlijke combinatie

thumb

Religieuze kunst en avant-garde kunst gaan niet goed samen, zo lijkt het. Religieuze kunst bouwt veel op dezelfde heilige thema’s. De kunst van de avant-garde is juist vernieuwend en niets is er heilig. Maar als we inzoomen op de kunst van de negentiende eeuw – een eeuw van grote veranderingen, ook voor kunst en kunstenaars – dan blijkt de combinatie religieuze en avant-garde kunst helemaal niet zo ongewoon.

Onder invloed van de Verlichting en de ontwikkeling van de wetenschap was de kijk op de christelijke religie in de negentiende eeuw gaan schuiven. Het idee ontstond dat kennis uit ervaring voortkwam, en niet uit hard nadenken. Dit had grote gevolgen voor het christendom in de samenleving, en dus ook voor de kunst. In Nederland viel de impact mee. Daar hadden kunstenaars noodgedwongen al ruim tweehonderd jaar eerder de particuliere markt ontdekt. De historieschilderkunst was er ook nooit groot geworden. Maar in Frankrijk bijvoorbeeld, waar de kerk door de Verlichting en de Franse Revolutie vrijwel al haar macht verloor, had dit grote gevolgen.

Eeuwenlang was de kerk de belangrijkste opdrachtgever voor kunstenaars geweest. Nu viel die opdrachtgever grotendeels weg. In landen waar de Academie veel invloed had, rebelleerden kunstenaars bovendien in toenemende mate tegen de voorkeur voor historieschilderkunst, waartoe ook Bijbelse kunst hoorde. Religieuze kunst leek zijn langste tijd dus te hebben gehad. In plaats daarvan bleek dat het religieuze thema vernieuwende kunstenaars juist onverwachte mogelijkheden bood.

Zowel in Duitsland als in Engeland werd religieuze kunst de inzet van een verlangen naar vroeger tijden, waarin de kunst nog ‘ongerept’ was. In Frankrijk ontdekten kunstenaars de passies van Christus als mogelijkheid om menselijk lijden nauwgezet weer te geven. Ook ontstond halverwege de eeuw interesse voor het wel en wee van de laagste bevolkingsgroepen. In Bijbelse verhalen vonden schilders inspiratie voor monumentale uitbeeldingen van deze sociale thema’s. Fritz von Uhde (1848-1911), bijvoorbeeld, introduceerde Christus in een eigentijds, arm boerengezin.

Fritz von Uhde, Das Tischgebet, 1885, olieverf op doek, 130 cm x 165 cm, Staatliche Museen, Nationalgalerie, Berlijn.
Fritz von Uhde, Das Tischgebet, 1885

De christelijke symboliek was dus geenszins van het schilderspalet verdwenen. De dominantie van de rede en het waarneembare riep bij sommige kunstenaars een tegenreactie op. Zij vonden in de christelijke symboliek manieren om het bovennatuurlijke en het spirituele te verbeelden. Een bijzondere ontwikkeling was ook het ontstaan van het beeld van de kunstenaar als scheppend en lijdend fenomeen. Verschillende kunstenaars, waaronder Paul Gauguin (1848-1903), verbeeldden zichzelf in de persoon van de lijdende Christus.

Paul Gauguin, Christus op de olijfberg, 1889, olieverf op doek, 73 cm x 92 cm, Norton Museum of Art.
Paul Gauguin, Christus op de olijfberg, 1889

Zelfs de wonderen van Christus, die door het empirisme en de vermenselijking van Christus als thema hun populariteit waren kwijtgeraakt, konden tot het repertoire van de vernieuwende kunstenaar horen. James Ensor (1860-1949), een schilder van de Belgische avant-garde, schilderde ze meerdere keren. Niet omdat hij gelovig was, want dat was hij niet. Hij zag het als de taak van de kunstenaar om het publiek visueel te beroeren. In zijn handen was een wonder van Christus dus een artistiek instrument. Zo bezien is een combinatie van religieuze kunst en avant-garde zo wonderlijk nog niet

James Ensor, Christus bedaart de storm, 1891, olieverf op doek, 100 cm x 80 cm, Mu.Zee Oostende.
James Ensor, Christus bedaart de storm, 1891

 

Regelmatig publiceren we een blog, geschreven door een docent, medewerker, cursist of kunsthistoricus uit het veld. Deze keer een artikel van Astrid Schenk, kunsthistorica.